Zettingsvloeiing: verschil tussen versies

Uit Delta Noodmaatregelen
Ga naar: navigatie, zoeken
[gecontroleerde versie][gecontroleerde versie]
Regel 4: Regel 4:
 
|terug=
 
|terug=
 
<div>
 
<div>
*[[Verweking binnentalud, binnenteen of berm ]]
 
*[[Afgeschoven binnentalud]]
 
 
*[[Afschuiving buitentalud]]
 
*[[Afschuiving buitentalud]]
*[[Horizontale verplaatsing ]]
+
 
  
 
</div>
 
</div>
Regel 24: Regel 22:
  
 
|intro=
 
|intro=
Een zettingsvloeiing kan alleen optreden in onderwatertaluds bestaande uit een verzadigd los gepakt zand. Het talud dient over een voldoende hoogte voldoende steil te zijn en er dienst sprake te zijn van een inleidend mechanisme, zoals erosie, trillingen door golfwerking of baggerwerkzaamheden of lokale stabiliteitsverstoringen. Zettingsvloeiing treedt op door een snelle vermindering van het poriënvolume. Het losgepakte zand zal een dichtere pakking willen aannemen. Het water in de poriën kan echter niet snel wegstromen waardoor een verhoging van de waterspanning optreedt met als gevolg een afname van de schuifweerstand. Hierdoor gedraagt het zand zich als een vloeistof, waardoor grote deformaties kunnen optreden. Als gevolg van deze verweking ontstaat instabiliteit en afschuiving van het voorland.
+
Zettingsvloeiing of oeverval is een vorm van instabiliteit die zich voordoet  in fijnzandige matig steile onderwatertaluds langs dynamische zeearmen, rivieren en kusten, waarbij in een betrekkelijk korte tijd grote hoeveelheden grond afstromen van de oever naar dieper gelegen delen, met als resultaat een oeverinscharing met een zeer flauwe eindhelling. Zettingsvloeiing kan ook optreden bij baggeren of storten van zand bij een onbeschermd zandig onderwatertalud of in zandplaten of schorren.
 +
Zettingsvloeiing manifesteert zich in de vooroever als een diepe steilrand langs een komvormige omtrek die geleidelijk, in enkele uren tijds, terugschrijdt en daarbij tot schade aan een eventueel aanwezige waterkering kan leiden.  Men spreekt dan van dijkval, veroorzaakt door zettingsvloeiing of een daarop volgende afschuiving van het buitentalud (indirect faalmechanisme). Overstroming treedt pas op indien er ook sprake is van hoog water binnen de benodigde tijd voor herstel van de dijk. In Zeeland heeft dijkval tot ver in de 20e eeuw, totdat doorgaande steenbestorting  op alle kwetsbare oevers werd toegepast, tot vele dijkvallen met overstromingen van polders en grote schade als gevolg geleid.
 +
 
 +
 
 +
Noodmaatregelen:
 +
 
 +
Een zettingsvloeiing begint vaak bij lage waterstand  onder water en is daardoor in het beginstadium niet zichtbaar. Eenmaal boven water gekomen kan blijken dat de omvang van de schade groot is. Bij een dergelijke calamiteit is het gezien de meestal grote ontgrondingsdiepte niet mogelijk de uitbreiding te stoppen, maar wel is er voldoende tijd om maatregelen, zoals evacuatie of noodherstel te nemen. In Zeeland werd in vroeger tijden onmiddellijk een inlaagdijk achter de  beschadigde dijk aangelegd om de achterliggende polder bij komend hoog water te beschermen tegen overstroming.
 +
 
 +
 
 +
Preventie en controle:
 +
 
 +
Indien de onderwateroever geheel bestort is , dat wil zeggen van de  kruin tot de teen en over de gehele lengte van het betreffende dijkvak, kan geen zettingsvloeiing optreden. De bestorting dient te bestaan uit een filterlaag afgedekt met losse steenslag evt. aangebracht op  kraag- en zinkstukken die tenminste voldoende erosiebestendig moeten zijn tegen de heersende stroming en golven.
 +
Ondermijning bij de teen door voortgaande erosie of baggeren kan een risico zijn voor aantasting van de bestorting door een beginnende bres. Is er voldoende losgestort materiaal aanwezig dan zal de bres vanzelf gedicht worden en kan er geen zettingsvloeiing tot ontwikkeling komen. Bij een vaste bekleding bijv. een  blokkenmat bestaat de mogelijlheid dat de bres zich  voortzet onder de bekleding totdat deze bezwijkt. Dit kan ook het geval zijn bij een van nature aanwezige kleilaag.
 +
Periodieke monitoring van de bodemligging is noodzakelijk om na te gaan of geen ondermijning of taludversteiling optreedt.  
  
Zettingsvloeiing treedt plotseling op, men ziet het niet aankomen. Er zijn tijdens een calamiteitensituatie geen maatregelen mogelijk.
 
  
Een vloeiing begint altijd onder de waterlijn en is daardoor is het beginstadium niet zichtbaar. Als het faalmechanisme zichtbaar wordt is de omvang van de schade veelal zeer groot. Zoals aangegeven zijn tijdens een calamiteitensituatie dan geen maatregelen meer mogelijk.
 
  
 
|img=
 
|img=
Regel 46: Regel 55:
  
 
==Hulpmiddelen==
 
==Hulpmiddelen==
**[[Media:Noodplan_herstel_waterkering_na_zettingsvloeiing_WSHD_2013.pdf|Noodplan herstel waterkering na zettingsvloeiing (WSHD, 2013)]]
+
*[[Media:Noodplan_herstel_waterkering_na_zettingsvloeiing_WSHD_2013.pdf|Noodplan herstel waterkering na zettingsvloeiing (WSHD, 2013)]]
  
 
==Ervaringen==
 
==Ervaringen==
 
*Is aanwezig (dient nader te worden benoemd)
 
*Is aanwezig (dient nader te worden benoemd)

Versie van 5 jul 2017 om 10:24


Schadebeelden.png
Faalmechanismen sel.png
Noodmaatregelen.png
Dimensionering.png
Uitvoering.png


Zettingsvloeiing


Faalmechanisme - Instabiliteit - Zettingsvloeiing

Zettingsvloeiing of oeverval is een vorm van instabiliteit die zich voordoet in fijnzandige matig steile onderwatertaluds langs dynamische zeearmen, rivieren en kusten, waarbij in een betrekkelijk korte tijd grote hoeveelheden grond afstromen van de oever naar dieper gelegen delen, met als resultaat een oeverinscharing met een zeer flauwe eindhelling. Zettingsvloeiing kan ook optreden bij baggeren of storten van zand bij een onbeschermd zandig onderwatertalud of in zandplaten of schorren. Zettingsvloeiing manifesteert zich in de vooroever als een diepe steilrand langs een komvormige omtrek die geleidelijk, in enkele uren tijds, terugschrijdt en daarbij tot schade aan een eventueel aanwezige waterkering kan leiden. Men spreekt dan van dijkval, veroorzaakt door zettingsvloeiing of een daarop volgende afschuiving van het buitentalud (indirect faalmechanisme). Overstroming treedt pas op indien er ook sprake is van hoog water binnen de benodigde tijd voor herstel van de dijk. In Zeeland heeft dijkval tot ver in de 20e eeuw, totdat doorgaande steenbestorting op alle kwetsbare oevers werd toegepast, tot vele dijkvallen met overstromingen van polders en grote schade als gevolg geleid.


Noodmaatregelen:

Een zettingsvloeiing begint vaak bij lage waterstand onder water en is daardoor in het beginstadium niet zichtbaar. Eenmaal boven water gekomen kan blijken dat de omvang van de schade groot is. Bij een dergelijke calamiteit is het gezien de meestal grote ontgrondingsdiepte niet mogelijk de uitbreiding te stoppen, maar wel is er voldoende tijd om maatregelen, zoals evacuatie of noodherstel te nemen. In Zeeland werd in vroeger tijden onmiddellijk een inlaagdijk achter de beschadigde dijk aangelegd om de achterliggende polder bij komend hoog water te beschermen tegen overstroming.


Preventie en controle:

Indien de onderwateroever geheel bestort is , dat wil zeggen van de kruin tot de teen en over de gehele lengte van het betreffende dijkvak, kan geen zettingsvloeiing optreden. De bestorting dient te bestaan uit een filterlaag afgedekt met losse steenslag evt. aangebracht op kraag- en zinkstukken die tenminste voldoende erosiebestendig moeten zijn tegen de heersende stroming en golven. Ondermijning bij de teen door voortgaande erosie of baggeren kan een risico zijn voor aantasting van de bestorting door een beginnende bres. Is er voldoende losgestort materiaal aanwezig dan zal de bres vanzelf gedicht worden en kan er geen zettingsvloeiing tot ontwikkeling komen. Bij een vaste bekleding bijv. een blokkenmat bestaat de mogelijlheid dat de bres zich voortzet onder de bekleding totdat deze bezwijkt. Dit kan ook het geval zijn bij een van nature aanwezige kleilaag. Periodieke monitoring van de bodemligging is noodzakelijk om na te gaan of geen ondermijning of taludversteiling optreedt.

Schade ten gevolge van zettingsvloeiingen

Schade ten gevolge van zettingsvloeiingen


1 Kennis


2 Hulpmiddelen

3 Ervaringen

  • Is aanwezig (dient nader te worden benoemd)